Utrecht; Utrecht ruziet over joods gedenkteken

Pogingen om in Utrecht een monument op te richten voor de joden die in de oorlog zijn weggevoerd, zijn mislukt. Eind 1994 werd een 'aanvaardbare' plaats gevonden, maar dat was te laat voor de fondsenwerving. Een maand geleden heeft burgemeester Opstelten nog vergeefs naar een plek gezocht.

Utrecht telt 15 oorlogsmonumenten, maar alleen een plaquette bij het voormalig Centraal Israelietisch Weeshuis aan de Nieuwegracht herinnert aan het lot van de joden. Op initiatief van de joodse gemeente werd dit monument in april 1992 onthuld ter nagedachtenis van de weggevoerde joodse kinderen.

Bij die gelegenheid zei de voorzitter van de joodse gemeente, S.R. Hankes, te hopen dat er ook een monument zou komen voor alle gedeporteerde Utrechtse joden. Van de 1.600 joodse inwoners die de stad voor de oorlog kende, zijn er circa 1.200 weggevoerd.

De joodse gemeente legde het idee voor aan de stichting leZikaron (Ter Herinnering), die zich inzet voor het behoud van joodse monumenten in de provincie. Een comité werd gevormd onder leiding van de Utrechtse dominee H.J. Huijser. In het comité van aanbeveling zaten onder anderen burgemeester Opstelten, commissaris van de koningin Beelaerts van Blokland en aartsbisschop Simonis.

Midden vorig jaar ontstond een controverse met de joodse gemeente, die vond dat zij onvoldoende op de hoogte werd gehouden van de werkzaamheden. De controverse had tot gevolg dat de Amersfoorter S. van Adelberg uit leZikaron en het comité stapte. Pas na bemiddeling door rabbijn Jacobs uit Amersfoort konden de werkzaamheden worden voortgezet.

Ook de keuze van de kunstenaar leidde tot onvrede. Tegelijkertijd ontstonden problemen met de locatie. De voorkeur ging uit naar het plein voor het Spoorwegmuseum, het voormalige Maliebaanstation vanwaar veel Utrechtse joden zijn weggevoerd. Het plein is eigendom van de NS, maar deze gaf geen toestemming.

Een woordvoerder van de NS ontkent desgevraagd dat de spoorwegen medewerking hebben geweigerd. Het plein is een aangelegenheid van het spoorwegmuseum, aldus de woordvoerder.

Museum-directeur P. van Vlijmen zegt dat hij in eerste instantie heeft gezegd er niets voor te voelen. “Op dat moment dachten wij nog dat vanuit dit station geen transporten hadden plaatsgevonden. Later hoorde ik dat dat wel zo was. Er is ons echter nooit officieel een verzoek gedaan.”

Uiteindelijk vond het comité een locatie op de Mariaplaats. In dit gebied woonden vroeger veel joden; de steeg het Jodenrijtje bij de Oudegracht dateert uit de Middeleeuwen.

Alle moeite bleek vergeefs. Pas op het laatst werd aangeklopt bij fondsen voor een bijdrage in de kosten, zo'n honderdduizend gulden. Het lukte niet om vóór 1 januari een aanvraag in te dienen. Daarna zouden de fondsen geen geld meer geven voor oorlogsmonumenten. Begin december gaf het comité de moed op.

Op 27 januari - vijftig jaar na de bevrijding van Auschwitz - had Hankes een onderhoud met burgemeester Opstelten. “Wij wilden weten van Opstelten of het een bewuste keuze van de gemeente was om zich terughoudend op te stellen”, zegt Hankes. “De burgemeester nam scherp afstand van die gedachte.”

Met beeldhouwer Pieter d'Hont heeft Opstelten vorige maand nog de omgeving van het Maliebaanstation verkend, maar zijn bemoeienis mocht niet baten. Deze week heeft de joodse gemeente telefonisch te horen gekregen dat het college van B en W twee weken geleden heeft besloten dat het zelf geen stappen zal ondernemen, maar dat alle “procedurele medewerking” zal worden verleend aan initiatieven van anderen.

    • Bert Determeijer

Meest gelezen