Joods Utrecht 1940-1945

Het kind is niet meer gedenksteen

Gedenksteen weggevoerde kinderen en hun begeleiders van het Joodse weeshuis Utrecht

In het begin van de bezettingsjaren, toen buitenlandse joden uit het kustgebied werden verdreven, vormde zich in Utrecht een grote gemeenschap van joodse vluchtelingen uit Duitsland. Net als de overige joodse inwoners van Utrecht kregen zij al spoedig te maken met alle beperkende maatregelen, die de bezetter invoerde. In november 1940 werden de joden uit overheidsdienst ontslagen. De burgemeester van Utrecht werd ontslagen, omdat hij te weinig medewerking verleende bij het uitvoeren van de anti-joodse maatregelen. In september 1941 werden de joodse kinderen uit het openbare onderwijs verwijderd, waarop er op alle niveaus speciaal joods onderwijs georganiseerd werd. Een maand later werd een vertegenwoordiger van de Joodse Raad ingesteld.
Het boek van Drs. C. van Dam (1985, zie literatuur) vermeldt dat er twee plaatselijke vertegenwoordigers werden aangesteld.

De deportaties uit Utrecht begonnen in februari 1942. Desondanks bleef de joodse gemeenschap tot het einde toe actief op cultureel en religieus gebied. Ongeveer 70 kinderen en begeleiders van het Centraal Israelitisch Weeshuis aan de Nieuwe Gracht werden gedeporteerd.
C. van Dam (1985, zie literatuur) beschrijft op p. 97 dat in september 1942 zo’n 100 zieken en bejaarden per auto naar Amsterdam zijn gedeporteerd. De laatste joden werden, in april 1943, naar het kamp Vught afgevoerd. De deportaties vonden plaats vanaf het Maliebaanstation, het huidige Spoorwegmuseum.Dit was van 1940 tot 1945 door de Duitse bezetters gevorderd.
In het oorlogsdagboek van Ina Boudier-Bakker onder Donderdag 12 februari 1942 staat dat  het eerste transport, van “Jodenemigranten … ook de ditto weesjes in ’t Jodenweeshuis” van het Centraal Station is vertrokken. Dit wordt ook bevestigd in het boek van drs Cees van Dam (1985, zie literatuur) over de Jodenvervolging in Utrecht.

Het laatste transport van 22 april 1943 vertrok vanaf het Centraal Station, zoals blijkt uit ‘Algemeene raadgevingen’ afkomstig uit een foto/plakboek van Leo Horneman. Ook kon men zich op eigen gelegenheid naar Vught begeven.

In Utrecht bleven enkele honderden onderduikers achter, dankzij het feit dat er in de stad diverse verzetsgroepen opgericht waren, waaronder het Kindercomité. Ook de nabij gelegen dorpen Zeist, Maartensdijk en Loosdrecht boden onderdak aan vluchtelingen en later aan onderduikers.

In 1941 werd aan de vooravond van Tisja be-Av, de gedenkdag van de Verwoesting van de Tempel, een poging gedaan de synagoge in brand te steken, wat overigens mislukte. Na de laatste deportatie werd het gebouw verzegeld. Een deel van de Torarollen bleef behouden, evenals een deel van de rituele voorwerpen. Het gebouw bleef onbeschadigd en kon direct na de bevrijding, op 10 mei 1945, weer ingewijd worden.